Duits arbeidsbureau discrimineert oudste beroep

Column | Peter Strick

23 juli 2009

Een pooier is voor de Bundesagentur für Arbeit geen acceptabele klant. Het Duitse semi-overheidsorgaan weigerde een tijdje geleden om aan de wens van een bordeeluitbater uit Speyer te voldoen, die om bemiddeling van vakbekwaam en bezield personeel voor zijn huis van plezier in de Zuid-Duitse domstad had verzocht.

Terecht, oordeelde begin mei 2009 een hoog rechterlijk college in derde en laatste instantie. Volgens de hoogwaardigheidsbekleders in hun ongetwijfeld van smetten vrije robes is het arbeidsbureau niet verplicht, om in dit segment van ’s lands economie dienstvaardig te zijn. En dus beoordeelde de rechtbank het tijdverdrijf van publieke vrouwen net als de Arbeitsagentur als zijnde in strijd met de goede zeden.

De ondernemer, die “zijn” vrouwen steeds als ZZPers had laten werken en voor de verandering eens personeel volgens de wetten van de sociale zekerheid wilde aanstellen, zag door de weigering van de Arbeitsagentur niet alleen zijn eer als zakenman aangetast. Volgens hem en zijn advocaat waren er ook essentiële burgerrechten in het geding. Dagvaarding leek de meest logische stap. Hun argument: prostitutie is een heel normale bedrijfstak en de daad, waar het om gaat, een normale zakelijke transactie. Zolang er in het bedrijf van zijn cliënt geen duistere praktijken worden ontdekt, aldus het pleidooi van de raadsman van de klager, heeft ook de uitbater van een hoerenkast het volste recht, om aanspraak te maken op de diensten van een publiekelijk orgaan. Te meer omdat hoeren en hun legaal werkende werkgevers volgens de in Duitsland geldende prostitutiewet net als ieder ander hun ww-premies afdragen.

Dit argument liet het hof niet gelden en stelde de Arbeitsagentur in het gelijk. “De prostitutiewet is ter bescherming van de tewerkgestelde personen ingevoerd, niet ter bevordering van iemands business”, luidde de toelichting op de afwijzing van de eis. De Arbeitsagentur hoeft dus ook in de toekomst geen personeel te bemiddelen, dat seksuele handelingen verricht. En zal dit ook “beslist niet doen, zo lang er in Duitsland geen ondubbelzinnige gedragslijn t.a.v prostitutie bestaat”.   

Als een tikkeltje overdreven achtte het hof overigens het argument van de Arbeitsagentur, waarnaar het een bijzondere zorgplicht tegenover zijn personeel zou hebben en het gewoon te veel gevraagd zou zijn, als medewerkers Duitse en EU-hoeren aan een passende baan dienden te helpen. Hier toonden de weledelachtbare heren uiteindelijk meer begrip voor het tegenargument van de raadsman van de klager, die tijdens zijn pleidooi de vertegenwoordigers van de Arbeitsagentur huichelarij had voorgehouden. “Als u beweert vanuit het oogpunt van de moraal uw personeel te moeten beschermen”, luidde zijn verwijt, “dan mag u ook geen slagers bemiddelen, omdat u altijd wel een paar vegetariërs in dienst zult hebben.” 

Zoals in Duitsland inmiddels gebruikelijk komen veelal banale problemen uiteindelijk bij de hoogste juridische gezagsdragers terecht. Het is dus slechts een kwestie van tijd tot de volgende sexindustrieel wegens discriminatie een beroep zal doen op het Bundesverfassungsgericht. En dan is er niets minder dan de grondwet in het geding.

Peter W. Strick