Het voorgenomen rechtsvermoeden van werknemerschap gaat waarschijnlijk ook gelden voor zzp’ers die niet per uur worden betaald. Werkenden met een stuksprijs of totaalprijs kunnen er dus óók een beroep op doen, maar moeten dan wel zelf aantonen wat hun feitelijke uurtarief was.

Ook zonder uurtarief onder wet werknemerschap
Minister Eddy van Aartsen wil per 2027 een rechtsvermoeden van werknemerschap invoeren voor zzp’ers die minder dan circa €38 a €39 per uur verdienen. In dat geval ligt de bewijslast bij de opdrachtgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een dienstverband.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat deze regeling niet alleen geldt bij een afgesproken uurtarief. Ook wanneer gewerkt wordt met een stuksprijs (bijvoorbeeld per levering of productie) of een vaste totaalprijs voor een opdracht, kan het rechtsvermoeden van toepassing zijn.
De kern is het feitelijke inkomen per uur. Komt de vergoeding neer op minder dan het drempelbedrag, dan kan een werkende in principe aanspraak maken op werknemersrechten.
Extra drempel: uren aantonen
Bij opdrachten zonder uurtarief ligt de lat wel hoger. De zzp’er moet zelf aannemelijk maken hoeveel uur er is gewerkt om het ‘verborgen’ uurtarief te berekenen.
Dat betekent concreet dat een zelfstandige moet kunnen onderbouwen: voor deze opdracht heb ik zoveel uur gewerkt, en omgerekend komt dat neer op minder dan de tariefgrens van bijvoorbeeld €39. Pas dan kan een rechter het rechtsvermoeden toepassen.
Een sluitende urenadministratie wordt daarmee belangrijker, ook voor zzp’ers die normaal gesproken per project of per stuk werken.
Urenregistratie wordt strategisch belangrijk
Voor veel zelfstandigen is het bijhouden van uren niet nieuw. Wie gebruikmaakt van de zelfstandigenaftrek moet immers kunnen aantonen dat minimaal 1.225 uur per jaar is gewerkt.
Met de nieuwe wetgeving krijgt die urenregistratie een extra functie: het kan doorslaggevend zijn in discussies over de arbeidsrelatie. Zonder inzicht in gewerkte uren wordt het lastig om achteraf te bewijzen dat het feitelijke tarief onder de grens lag.
Spanning met minimumloonregels
De situatie raakt ook aan de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Sinds 2018 vallen bepaalde opdrachtovereenkomsten onder deze wet, ook als er met stuk- of totaalprijzen wordt gewerkt. Daarbij moet inzichtelijk zijn hoeveel uur er is gewerkt en wat de beloning is.
Voor echte zzp’ers geldt die verplichting niet. Dat kan in de praktijk tot een spanningsveld leiden voor opdrachtgevers: een urenregistratie helpt om aan WML-verplichtingen te voldoen, maar kan tegelijkertijd aanwijzingen geven dat er feitelijk sprake is van een dienstverband.
Gevolgen voor ondernemers: mkb en zzp
Voor bedrijven die zzp'ers inhuren betekent dit dat de gekozen betalingsvorm geen bescherming biedt tegen het rechtsvermoeden. Ook zonder uurtarief kan een arbeidsrelatie onder de nieuwe regels vallen als het feitelijke inkomen laag is.
Voor zzp’ers geldt dat het bijhouden van uren steeds belangrijker wordt. Wie mogelijk een beroep wil doen op het rechtsvermoeden, doet er verstandig aan om structureel bij te houden hoeveel tijd in opdrachten gaat zitten.
De Tweede Kamer behandelt het wetsvoorstel naar verwachting nog voor de zomer. De beoogde ingangsdatum is begin 2027.
Tip: Lees meer over de nieuwe wetten rond schijnzelfstandigheid



