Subsidienieuws: meer ruimte voor landgoederen door wijziging Natuurschoonwet 1928

15 december 2009

De Natuurschoonwet 1928 (NATUURSCHOON) is aangepast. De definitie van natuurterreinen is verruimd, waardoor ook nieuwe en nog te ontwikkelen natuur aangemerkt kan worden als (deel van een) landgoed. Via de Natuurschoonwet komen eigenaren van een landgoed onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor belastingvoordelen.

Een andere reden om de Natuurschoonwet te wijzigen was dat er via een zogenaamde 'gezamenlijke rangschikking' van percelen soms oneigenlijk gebruik werd gemaakt van de fiscale voordelen, doordat ten onrechte extra kleine percelen bij het landgoed werden aangemerkt die niet bijdroegen aan het natuurschoon. Daarom kunnen kleine percelen vanaf heden alleen als landgoed worden aangemerkt als ze in principe zelfstandig voldoen aan de voorwaarden.

Wat betreft de definitie van natuurterrein, deze beperkte zich voorheen tot de opsomming van bepaalde terreintypen, zoals heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen en kwelders. De definitie is ondermeer uitgebreid met diverse natuurlijke graslanden. Bovendien hoeft een landgoed niet meer verplicht voor een bepaald deel alleen uit bos te bestaan, maar mag het nu ook uit natuurterreinen of uit een combinatie van beide terreinen bestaan.

De verwachting is dat er door de wetswijziging per jaar circa 150 nieuwe onroerende zaken, zoals percelen en gebouwen, als landgoederen (of een deel daarvan) kunnen worden aangemerkt.

Auteur

Onno Bieleman