Nieuwe Zelfstandigenwet moet zekerheid geven aan zzp'er en opdrachtgever

Kabinet wil met 2 toetsen vooraf duidelijk maken wie als zelfstandige kan werken

Zzp'ers en opdrachtgevers moeten vanaf 2028 vooraf beter kunnen beoordelen of zij met elkaar kunnen werken zonder dat sprake is van loondienst. Het kabinet wil daarvoor 2 toetsen invoeren. Zo moet een zzp’er minimaal 3 opdrachtgevers hebben gehad in 2 jaar en geld besteden aan voorzieningen voor ondernemersrisico's. Die regels staan in de nieuwe Zelfstandigenwet.

ondernemer-zzp-mkb-vermogen-laptop-denken-toekomst

Waarom een Zelfstandigenwet nodig is

Met het wetsvoorstel wil het kabinet een einde maken aan de jarenlange onzekerheid over de positie van zelfstandigen. Vooral sinds de Belastingdienst weer strenger handhaaft op schijnzelfstandigheid zijn sommige opdrachtgevers terughoudender geworden met het inhuren van zzp’ers.

De nieuwe wet moet daarom vooral duidelijk maken wanneer werken met een zelfstandige wél kan. Tegelijkertijd blijft het kabinet optreden tegen schijnzelfstandigheid: situaties waarin iemand op papier als zzp’er werkt, maar in de praktijk eigenlijk in loondienst is.

2 toetsen voor zzp’ers en opdrachtgevers

Centraal in het wetsvoorstel staan een zelfstandigentoets en een werkrelatietoets. Wie aan alle criteria van beide toetsen voldoet en in de praktijk ook zo werkt, komt in een zogenoemde ‘veilige haven’. Daarmee krijgen zzp’er en opdrachtgever vooraf meer zekerheid dat voor de samenwerking niet een arbeidsovereenkomst nodig is.

De zelfstandigentoets kijkt vooral naar de ondernemer zelf. Zo moet een zzp’er onder meer ingeschreven staan bij de KVK, een btw-nummer hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de facturatie.

Daarnaast moet een zelfstandige in het lopende en het voorafgaande kalenderjaar samen minimaal 3 verschillende opdrachtgevers of klanten hebben gehad. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat zelfstandigen te afhankelijk zijn van één opdrachtgever.

Ook voorzieningen tegen ondernemersrisico’s verplicht

Zelfstandigen moeten daarnaast jaarlijks een minimumbedrag besteden aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. Hoe hoog dat bedrag precies wordt, staat nog niet vast.

Onder meer een arbeidsongeschiktheidsverzekering, pensioenopbouw en een voorziening voor ziekte kunnen meetellen. Ook verzekeringen zoals een bedrijfs- of beroepsaansprakelijkheidsverzekering en zakelijke rechtsbijstand worden genoemd.

De gedachte daarachter is dat zelfstandigen niet alleen de voordelen van het ondernemerschap hebben, maar ook zelf verantwoordelijkheid nemen voor de risico’s die daarbij horen.

Zelfstandige moet vrijheid houden

De tweede toets kijkt naar de concrete werkrelatie tussen de zelfstandige en de opdrachtgever. Daarbij is onder meer belangrijk dat de zzp’er zelf bepaalt hoe het werk wordt uitgevoerd.

Een opdrachtgever mag wel bepalen wat er moet gebeuren, maar niet tot in detail voorschrijven hoe de zelfstandige dat doet. Ook moet de zzp’er in principe zelf kunnen bepalen waar en wanneer het werk wordt gedaan.

Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Sommige werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld alleen op een bepaalde locatie of een bepaald tijdstip worden uitgevoerd, zoals werk op een bouwplaats.

Verder moet de zelfstandige voor eigen rekening en risico werken. Dat betekent dat de ondernemer financieel voordeel kan behalen, maar ook zelf risico loopt bij bijvoorbeeld schade of het niet nakomen van afspraken.

Niet alle onzekerheid verdwijnt

De nieuwe criteria moeten vooraf meer duidelijkheid geven, maar nemen niet ieder grijs gebied weg. Vooral bij de beoordeling van de werkrelatie blijft ruimte voor interpretatie. Ook betekent het niet halen van één of meer criteria niet automatisch dat iemand werknemer is. Wie niet in de veilige haven valt, wordt nog steeds beoordeeld op basis van de bestaande regels en rechtspraak.

Voor ondernemers die zzp’ers inhuren blijft het daarom belangrijk om niet alleen naar het contract te kijken. Ook de manier waarop in de praktijk wordt samengewerkt, is bepalend.

De Zelfstandigenwet is nog niet definitief. De internetconsultatie loopt tot en met 29 oktober 2026. Daarna kan het wetsvoorstel nog worden aangepast en moet het langs de Raad van State en de Tweede en Eerste Kamer. Het kabinet wil de wet in januari 2028 laten ingaan. Tot die tijd blijven de huidige regels voor de beoordeling van arbeidsrelaties gelden.

Wat vind je van dit artikel?

Fleur Willemsen

Auteur

Fleur Willemsen

Fleur Willemsen is redacteur bij MKB Servicedesk.